De laatste 'Schiersprekers' onder de jeugd

Gepubliceerd op 3 december 2009CultuurhistorieAangemaakt door Leeuwarder Courant

De Taalplúech van Schiermonnikoog stopt er noodgedwongen mee. Voor de taalcursus Schiermonnikoogs is geen belangstelling meer. Eline (15) en Jesse (12) Woudstra zijn de enige tieners die de taal nog beheersen.

SCHIERMONNIKOOG - Schiermonnikoog telt zo'n veertig eilanders die de eigen taal beheersen, op een bevolking van negenhonderd. Het zijn vooral de ouderen die het 'eilanders' nog gebruiken. De jeugd spreekt hoofdzakelijk Nederlands. Dat geldt ook voor Eline en Jesse Woudstra, hoewel zij de laatste tieners zijn die nog wat van de taal hebben meegekregen.

Een heel gesprek in de oorspronkelijke eilander taal zullen broer en zus Woudstra niet zo gauw voeren. Dat wordt zelfs voor hen al moeilijk. Maar een tekst lezen, is geen probleem. En als je thuis niets anders hoort, is verstaan ook geen probleem. De oudere eilandbewoners weten dat blijkbaar. Zij spreken Eline en Jesse nog in de eigen taal aan. Die taal lijkt nog het meest op het Fries, vinden Jesse en Eline, hoewel er ook elementen uit het Engels en Scandinavisch in zitten.

Oorspronkelijk is het Schiermonnikoogs verwant aan het Oudfries en het Noordfries dat nog wordt gesproken op de Duitse Waddeneilanden Amrum en Föhr. Op school merkt Eline dan ook dat de kennis van de eilander taal haar helpt bij de uitspraak van het Duits.

De tieners zitten allebei op de Inspecteur Boelensschool op het eiland, Jesse in de brugklas en Eline in het vierde jaar. Op school is Nederlands de voertaal, vertellen ze. Wel zijn er schoolgenoten die thuis Fries praten omdat hun ouders Fries zijn. Bij de Woudstra's thuis is dat anders. Vader Jelle Woudstra heeft van jongs af aan het Schiermonnikoogs tegen zijn kinderen gesproken. "Papa die Nederlands praat, dat kan niet", stellen ze. Ook hun tante bedient zich van de eilander taal.

Een vader die zo consequent de eigen taal spreekt, heeft zo zijn voordelen, vindt Eline.
"Soms kunnen wij samen een discussie voeren die niemand kan volgen of maar voor een gedeelte." Dat geldt bijvoorbeeld voor moeder Kea, die niet van het eiland komt, maar de taal gedeeltelijk oppikte doordat ze het dagelijks hoort. Spreken doet ze het niet. "Alleen als ze boos wordt", vertellen de kinderen, "dan schakelt ze over op het eilanders."

Eline wil later de paardensport in en zal daarvoor een opleiding aan de wal moeten volgen. Het spreken van haar eigen taal zal er dan helemaal niet meer van komen, beseft ze. "Dat gaan ze niet volgen aan de wal."

Op Schiermonnikoog zijn volgens Eline en Jesse wel meer kinderen die wat eilander woorden kennen, maar niet omdat ze het vanaf hun geboorte mee hebben gekregen. Op school komt de taal alleen aan de orde bij twee lessen voor het vak CKV (culturele en kunstzinnige vorming). Dat Eline en Jesse het amper gebruiken, komt doordat niemand van hun leeftijd het terugspreekt. "Wij moeten ook echt ons best doen om een goed lopende zin te maken. Sommige klanken zijn moeilijk. Dat moet je ook durven."

Hun moeder leerde de klanken ook langzamerhand begrijpen. "In het begin snapte ik er niks van." Soms vergist Jesse zich wel eens en roept naar zijn vrienden dat hij een kôve ziet. Een meeuw bedoelt hij dan. Eline vindt het leuk om het woord tubak voor beschuit te gebruiken. Dat lijkt wel weer op het Friese twibak.

Maar wie als buitenstaander de eilander naam van hun huis moet verklaren, komt waarschijnlijk niet ver. Op het zogenaamde kapiteinsbalkon pronkt de naam Aimelpole, die er al opstond toen de Woudstra's het huis kochten. Het betekent mierenhoop en is volgens Eline wel toepasselijk voor de gang van zaken bij haar thuis.