Hoe we meten in de zee

Om de waterkwaliteit van de Waddenzee te meten gaan meetschepen de Waddenzee op en worden monsters genomen. Dit kunnen watermonsters zijn, maar ook het zwevende materiaal dat zich in het water bevindt of zelfs bodemmateriaal. De monsters worden naar laboratoria gebracht waar chemische analyses gedaan worden. De uitkomsten van de analyses zijn de meetwaarden die weer gebruikt worden voor toetsing aan de normen.
Hoe vaak gemeten wordt verschilt: van wekelijks op belangrijke locaties, twee-wekelijks of maandelijks voor watermonsters. In de zoute wateren wordt zwevende stof éénmaal per kwartaal bemonsterd en sediment eens per drie jaar.

foto: Rijkswaterstaat

De monstername

Voor het meten wordt vaak gebruik gemaakt van een zogeheten "meetvis" die is uitgerust met sensoren en via een monsterslang is gekoppeld aan de milieucontainer. De meetvis lijkt op een torpedo en kan op verschillende dieptes monsters nemen. De watermonsters worden in flessen bewaard. Direct tijdens de monstername worden gegevens ingewonnen over de volgende parameters: troebelheid, zwevend stofconcentratie, zuurgraad (PH), zuurstofgehalte, elektrische weerstand (equivalent van zoutgehalte) en temperatuur. Deze gegevens vertellen zelf iets over de waterkwaliteit, en ze zijn ook van belang voor het verder verwerken en interpreteren van de resultaten van de analyse van de watermonsters.

De meetvis voor het te water laten (foto: Rijkswaterstaat)

De milieucontainer

De waterkwaliteitsmetingen worden uitgevoerd in een zogeheten standaard milieu-container. Deze container wordt aan boord van het meetschip gezet en is ingericht volgens de normen van de GMP (Goede Meetpraktijk).

 In de container worden de monsters verwerkt en opgeslagen voor latere analyse in het laboratorium.