Vogels

Hier vindt u publicaties over vogelonderzoek in het waddengebied.

Midwintertelling van zee-eenden in de Waddenzee en de Nederlandse kustwateren, januari 2009

Datum: 12 juli 2013
Bron: Rijksoverheid.nl

In dit rapport (pdf, 1 Mb) worden de resultaten gepresenteerd van de tellingen (uitgevoerd vanuit een vliegtuig) van zee-eenden in de Nederlandse kustwateren en de Waddenzee in januari 2009.

Rapport "Aantallen strandbroeders in de Nederlandse Waddenzee"

In juni 2010 verscheen een rapport over de aantallen strandbroeders in de Nederlandse Waddenzee, met een trendanalyse tot en met het broedseizoen 2008. Het onderzoek is uitgevoerd op advies van de Trilaterale Ministersconferentie in Nederland, 2005, in opdracht van de Waddeneilanden, Werkgroep Strandbroeders.
In het rapport worden ook aanbevelingen gedaan voor bescherming en herstel van de strandbroeders.

Lees hier het volledige rapport "Aantallen strandbroeders in de Nederlandse Waddenzee. Rapportage t/m broedseizoen 2008" (pdf 2 Mb).

Bron: Natuurcentrum Ameland, juni 2010

Artikel "Aantalontwikkeling van wadvogels in de Nederlandse Waddenzee in 1990-2008 Verschillen tussen Oost en West"

Maart 2010- In het begin van de jaren negentig werd de Waddenzee getroffen door de grote schelpdiercrisis. Droogvallende mosselbanken verdwenen bijna allemaal en de kokkelbestanden bereikten een historisch dieptepunt. Sindsdien zijn de schelpdierbestanden op de droogvallende platen beter beschermd en heeft ook herstel plaatsgevonden. Je zou verwachten dat dit doorwerkt in de aantallen wadvogels die de Waddenzee bevolken. Maar is dat ook zo?

Lees het artikel van Ens et al.  "Aantalontwikkeling van wadvogels in de Nederlandse Waddenzee in 1990-2008 Verschillen tussen Oost en West" (pdf 0,8 Mb) dat is verschenen in LIMOSA 82 (2009): 100-112.

Bron: SOVON maart 2010

Artikel "Dalende draagkracht voor steltlopers in de Waddenzee"

Juni 2009 - De aantallen vogels in de Waddenzee worden bepaald door het voedselaanbod. Schelpdieren fungeren hierbij als belangrijkste voedselbron. Door de ecologische effecten van mechanische overbevissing op kokkels tussen 1996 en 2005 in dit beschermde natuurgebied te interpreteren als experiment, kon worden aangetoond dat een afname in de hoeveelheid schelpdieren ook heeft geleid tot dalende aantallen kanoetstrandlopers. Hun overlevingskans werd lager en daarom trokken de vogels weg of stierven. Dit concluderen onderzoekers van het NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek, de Rijksuniversiteit Groningen en SOVON Vogelonderzoek Nederland.  Het artikel verscheen in het vooraanstaande vaktijdschrift Journal of Animal Ecology, uitgegeven door de British Ecological Society.

De onderzoekers baseren hun bevindingen op (1) de resultaten van een jarenlang bodembemonsteringsprogramma op grond waarvan de omvang van geschikt foerageergebied voor kanoeten kan worden uitgerekend, (2) tellingen van kanoetstrandlopers wanneer ze in groepen samen komen tijdens hoogwater, en (3) de overleving van geringde kanoeten. Kanoeten (Calidris canutus islandica) zijn trekvogels die in de winterse Waddenzee afhankelijk zijn van in de modder verborgen schelpdieren waarvan de schelp na inslikken in hun grote spiermaag wordt gekraakt waardoor het zachte vlees beschikbaar komt als voedsel.

Tussen 1996 en 2005 nam het oppervlak wadplaten met voldoende schelpdieren af met 55 procent. Parallel aan de afname van geschikt foerageergebied namen de kanoeten-aantallen af met 42 procent. De aantallen kanoeten per hectare in nog wel geschikte foerageergebieden bleef echter constant met 10 kanoeten per hectare. Deze constante bezetting betekent dat kanoeten de capaciteit van de Waddenzee voortdurend ten volle benut hebben over het gehele tijdvak.

Download het artikel Landscape-scale experiment demonstrates that Wadden
Sea intertidal flats are used to capacity by molluscivore migrant shorebirds
(pdf, 804 Kb)

Bron: NIOZ, juni 2009

Proefschrift "De flexibiliteit van de brandgans"

Ganzen op Schiermonnikoog (foto: H. den Ouden)
Ganzen op Schiermonnikoog (foto: H. den Ouden)

Promotieonderzoek: Travels in a changing world - flexibility and constraints in migration and breeding of the Barnacle goose (G. Eichhorn, Rijksuniversiteit Groningen, juni 2008

Een zo optimaal mogelijke management van tijd en (voedsel)energie is erg belangrijk voor het maximeren van de fitness van het individu (dus op de overleving en het voortplantingssucces). Götz Eichhorn onderzocht de aspecten van de tijdsplanning en het verkrijgen en benutten van voedselbronnen bij de brandgans Branta leucopsis tijdens de voorjaarstrek en tijdens het broedseizoen. Hij constateerde een opmerkelijke flexibiliteit van deze gans in zijn trek- en broedgedrag.

De door Eichhorn bestudeerde brandganspopulatie overwintert in het Waddenzeegebied, en trekt traditioneel via pleisterplaatsen langs de Oostzee en de Witte Zee naar de Russische broedgebieden aan de Barentszzee. Deze populatie heeft de afgelopen decennia enige opmerkelijke ontwikkelingen doorgemaakt, zoals een aanhoudend exponentiële groei sinds de jaren '50 en enorme veranderingen in de timing van vertrek uit de wintergebieden sinds de jaren '90. Verder werd de brandgans lange tijd beschouwd als een typische Arctische broedvogel. Maar de afgelopen drie decennia koloniseert deze soort met succes een grote diversiteit van gebieden in de gematigde zone, en sommige ganzenpopulaties vertonen nu helemaal geen trek meer.

Deze opmerkelijke veranderingen werpen vragen op over de flexibiliteit van trekschema's en broedcycli. Wat zijn de kosten en baten van verschillende trekstrategieën? Tot op welke hoogte zijn de dieren in staat zich aan te passen aan nieuwe (broed-) omgevingen? Voor het zoeken naar antwoorden op deze vragen volgde Eichhorn de trek van Russische brandganzen met hulp van dataloggers en satellietzenders en probeerde, waar mogelijk, gegevens van vogeltrek en broedbiologie aan elkaar te koppelen. Verder vergeleek hij belangrijke kenmerken van levensgeschiedenis ('life-history traits'; zoals overleving en legselgrootte) van broedpopulaties langs een grote ecologische gradiënt van de Arctis tot gematigde zones.

Lees de Nederlandstalige samenvatting van het proefschrift (pdf, 102 kb)

Bron: RUG, 19 juni 2008

Rapport "De Waddenzee als kruispunt van vogeltrekwegen"

In 2005 verscheen het rapport "De Waddenzee als kruispunt van vogeltrekwegen".  Literatuurstudie naar de kansen en bedreigingen van wadvogels in internationaal perspectief' (pdf 2,2 Mb)

Download het rapport: 'De Waddenzee als kruispunt van vogeltrekwegen' (pdf 2,1 Mb).

Bron: NIOZ, 2005

Rapport Bescherming Hoogwatervluchtplaatsen

November 2004 - De meeste vogels die voor hun voedsel afhankelijk zijn van het intergetijdengebied maken gebruik van speciale hoogwatervluchtplaatsen om te overtijen. Bij opkomend water verzamelen ze zich vaak in indrukwekkende zwermen op de bij vloed droog blijvende plaatsen, zoals eilanden en de rand van de kwelderzone.

Hoogwatervluchtplaatsen op bijvoorbeeld. Griend, Richel en de Vliehors (Vlieland) vormen bij vloed vogelconcentraties die tot de grootste in de gehele internationale Waddenzee behoren. Grote hoogwatervluchtplaatsen kenmerken zich door rust en een groot areaal aan wadplaten in de omgeving. Verstoring door  recreanten heeft een negatieve invloed op het aantal overtijende vogels op een hoogwatervluchtplaats. Dit blijkt uit een onlangs uitgevoerde inventarisatie van hoogwatervluchtplaatsen in Nederland, Duitsland en Denemarken die werd uitgevoerd in het kader van het trilaterale Waddenzeeplan. Hoewel de variatie in aantallen groot is, zijn de aantallen op plaatsen zonder recreatiedruk (bijvoorbeeld onbewoonde zandplaten) gemiddeld (veel) groter dan op plaatsen met veel recreanten. Vanuit het oogpunt van bescherming van hoogwatervluchtplaatsen is het dan ook van belang om een zekere mate van rust te bewerkstelligen.

Juist de bescherming van hoogwatervluchtplaatsen loopt echter in de Nederlandse Waddenzee achter bij de buren in Duitsland en Denemarken. In die twee landen valt rond de 90% van de hoogwatervluchtplaatsen onder regime van Speciale Beschermingszones onder de Europese Vogelrichtlijn; in Nederland ligt dat aandeel bij 69%. Daarbovenop kennen landen als Niedersachsen en Denemarken nog eens nationale natuurbeschermingswetten die van toepassing zijn op ruim 60% van hun hoogwatervluchtplaatsen. In Nederland ligt dat net onder de 40%. Weliswaar vallen belangrijke delen van de Nederlandse Waddenzee onder de Natuurbeschermingswet; het zijn vooral de binnendijkse gebieden die op dit moment geen enkele beschermde status genieten, noch krachtens de natuurbeschermingswet, noch als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden zijn echter wel van groot belang voor overtijende rotganzen en goudplevieren. Bij stormvloeden komen bovendien ook veel andere steltlopers binnendijks het hoge tij afwachten. Ook foerageren hier vaak grote groepen ganzen en zwanen. In Niedersachsen en Denemarken zijn dergelijke gebieden doorgaans wel aangewezen als Speciale Beschermingszone.

Formele bescherming van hoogwatervluchtplaatsen is overigens geen garantie voor verstoringsvrije gebieden. Maar liefst 80% van alle hoogwatervluchtplaatsen in de internationale Waddenzee staat op enig moment bloot aan recreatiedruk; bij 36% van alle gebieden is zelfs sprake van een matige tot zware recreatiedruk. Ondanks de gemiddelde goede bescherming van hoogwatervluchtplaatsen vindt er dus regelmatig verstoring plaats.

Om de (toenemende) bezoekersstroom in goede banen te leiden is het dan ook wenselijk op een aantal gevoelige locaties bezoekers van informatie te voorzien hoe zich te gedragen in de buurt van hoogwatervluchtplaatsen. In Duitsland wordt dat bijvoorbeeld bewerkstelligd door middel van verschillende zones binnen de nationale parken en een uitgebreid systeem van bezoekersinformatie. In Nederland en Denemarken is echter nauwelijks sprake van uitgebreide informatievoorziening voor bezoekers.

Dowload het engelstalige rapport "High Tide Roosts in the Wadden Sea. A Review of Bird Distribution, Protection Regimes and Potential Sources of Anthropogenic Disturbance" via de CWSS website.

Bron: Sovon, november 2004