Blog RCW-leden

 

Een kort en bondig betoog over actuele zaken die spelen in het Waddengebied. Deze keer een blog van Bas Eenhoorn, voorzitter van het RCW.

Foto: karakterbeeld

Bas Eenhoorn, voorzitter

Ons unieke Waddengebied een echte dienst bewijzen?

Datum: 4 april 2016

Dit jaar wordt een beslissend jaar voor de Wadden, voor de Waddenzee, voor het Waddengebied. De structuurvisie Waddenzee loopt af en ieder heeft zo z'n mening over de resultaten ervan. De evaluaties zijn verschillend, maar toch voorzichtig positief van toon. De afgelopen tien jaar is er veel bereikt, zo zou ik het willen formuleren. Samen met twee leden van het Regiecollege Waddengebied, gedeputeerde Henk Staghouwer en burgemeester Albert de Hoop, en de directeur van de Waddenvereniging Arjan Berkhuysen hebben we de eerste jaarlijkse rapportage “Wadden in beeld” aan de Tweede Kamer- commissie aangeboden. De trends en ontwikkelingen in het Waddengebied zijn daarin op een prachtige wijze weergegeven. 

Al met al is het beeld, en zijn de evaluaties duidelijke signalen voor nieuw beleid. Het gaat slecht met het visbestand, de broedvogelstand loopt terug, maar met de kokkels en de oesters gaat het steeds beter. Er komen afspraken over duurzame garnalenvisserij, en er wordt gewerkt aan nieuwe zout-culturen. Het blijft oppassen met de exploitatie van delfstoffen en horizonvervuiling dreigt. Tja. En zeehonden zijn er nog nooit zoveel geweest. Maar de tuimelaar bijvoorbeeld is nog steeds niet terug. Het toerisme en duurzame ontwikkeling van de economie zouden kunnen aansluiten op de eretitel van de Wadden: Werelderfgoed. 

Is er aanleiding om dan nu het roer om toegooien en drastisch ander beleid te gaan ontwikkelen? Het Regiecollege Waddengebied ziet daar geen aanleiding toe. Het is voor een groot deel wel evident waar de schoen wringt. En daar moeten we op in spelen. Zeker nu we belangrijke stappen hebben gezet op weg met de Samenwerkingsagenda nopens het beheer en monitoring. Het Opdrachtgeverscollectief Beheer Waddenzee werkt hard om over twee jaar een situatie te hebben bereikt als ware er nog één beheerder in en op de Waddenzee. De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer worden met een 24-tal concrete actiepunten opgepakt. 

Waar het om gaat bij een herziening van het beleid laat zich in een aantal aandachtspunten verwoorden: We moeten op weg naar een ontwikkelingsgerichte versterking van de broedvogelstand en de visbestanden in de Waddenzee; economie en ecologie nog meer met elkaar in samenhang brengen; werken aan een duurzaam medegebruik; openheid van het landschap regelen door het bundelingsprincipe toe te passen en hard werken aan de Samenwerkingsagenda Beheer.

Als we ons daar met zijn allen gericht op inzetten en ons niet verliezen in ingewikkelde beleidsprocessen zullen we ons unieke Waddengebied een dienst bewijzen. Daarom is 2016 een cruciaal jaar: we moeten doorgaan met het concreet werken aan verbeteringen van het beheer, kansen voor passende ontwikkelingen pakken en successievelijk de bedreigingen opruimen.

Consequent en consistent

Datum: 13 april 2015

Over de bestuurlijke problematiek van de Waddenzee is al eindeloos gepalaverd en opgetekend. In de gelijknamige bundel, die in 1988 verscheen, ter voorbereiding van een congres over de wenselijkheid van een Waddenwet schreef ik een bijdrage. Vijf jaar daarvoor had ik (in bestuurlijke zin) het Waddengebied verlaten. Maar het bestuurlijk onvermogen om tot consequent en consistent beleid te komen zat me nog steeds hoog. Ik schreef : “Samenhangende wetgeving, een kaderwaddenwet, heeft alleen zin als grote bedreigingen, van rijkswege mogelijk gemaakt, met behulp van die wet worden aangepakt.”  Als een rechtgeaarde lokale bestuurder in die tijd gaf ik tal van voorbeelden, waarbij (toen) onder andere de Wet geluidhinder en de Natuurbeschermingswet in het belang van verstoringen door militaire oefeningen en delfstofwinning ruimhartig werden geïnterpreteerd.  De Waddenwet moest meer ruimte geven voor lokaal bestuur en de plaatselijke bevolking om de kwaliteit van het Waddengebied vast te houden.

Voor mij was in die tijd en nu nog steeds duidelijk, dat we in alle opzichten voorzichtig moeten zijn met de kwaliteit van het Waddengebied. Toen leefden we nog met grote onzekerheden over de effecten van vervuiling door onder andere PCB’s. Inzicht in die effecten waren en zijn nodig. Van alle menselijk handelen, zeg ik met overtuiging.  En zeker nu het waddengebied (jammer genoeg in Nederland alleen de Waddenzee) als werelderfgoed op de kaart staat. In het essay over de “Wadden onder de waterspiegel”, dat onlangs verscheen zeg ik; “De mate van zekerheid over effecten van menselijk handelen zou bepalend moeten zijn voor de gebruiksruimte die kan worden geboden.”  En over het beleid: “Goede wil, maar uitzondering en uitvluchten te over.”  In het Regiecollege Waddengebied (RCW), dat ik mag voorzitten, wordt die discussie diepgaand gevoerd.

Nu weer hebben we discussies gehad over onderwerpen als de garnalenvisserij, windmolenparken en zoutwinning onder het Wad.  In het blad Geografie wordt die zoutwinning in een stevig artikel “Fout zout onder de Waddenzee?” onder de loep genomen. De bodemdaling is met 4 centimeter bijvoorbeeld het viervoudige vergeleken met die boven de gasvelden van Groningen. Met hopelijk toch minder onverwachte effecten. En daar zit uiteraard de clou. In de Milieurapportage wordt het herstellend vermogen van de Wadden zo ingeschat, dat van blijvende effecten van de bodemdaling door de zoutwinning geen sprake is. Tijdelijk zullen die effecten er zeker wel zijn, zegt het NIOZ. Het permanent verdrinken van wadplaten is onwaarschijnlijk, al zal de samenstelling van het aan te voeren sediment de wadbodem qua samenstelling doen veranderen.  Mijn conclusie is dat de dynamiek van de Wadden elk effect van menselijk ingrijpen en elke risico-analyse onzeker maakt. Behoud en versterking van de waarden van het Waddengebied is voor ons allemaal het uitgangspunt, ook van Rijkswege. Ook zonder een Waddenwet. En we zouden consequent en consistent de veilige kant moeten kiezen. Zoveel is zeker!