I. Inleiding

1.1 Status en planperiode

  • Deze planologische kernbeslissing (pkb) bevat de hoofdlijnen van beleid voor de Waddenzee. De pkb is gebiedsgericht van karakter en integreert het ruimtelijk, milieu- en waterbeleid voor de Waddenzee. Bij de afwegingen binnen bet facetbeleid dienen de sociaal-economische afwegingen tevens een rol te spelen.
  • Deze pkb dient als uitgangspunt te worden gehanteerd door rijk, pro- vincies en gemeenten bij het te voeren beleid ten aanzien van de Waddenzee. In de diverse beleidsuitspraken wordt de beleidsruimte nader genuanceerd. Het rijk zal de pkb gebruiken bij de beoordeling van het beleid van andere overheden. Sommige beslissingen zijn van zodanig gewicht dat bij afwijking of wijziging de pkb-procedure moet worden doorlopen. Deze beslissingen van wezenlijk belang als bedoeld in art 3, tweede lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 zijn in een raster aangegeven. Uit de formulering van de afzonderlijke beslissingen blijkt in welke mate deze door het rijk zijn afgewogen en op welke onderdelen een nadere afweging en invulling door de andere overheden wordt verwacht. 
  • Bij deze pkb behoren een kaart met de begrenzing van het pkb-gebied en kaarten met globaal afgewogen beslissingen voor recreatie en visserij.

1.2 Gebiedsbegrenzing

  • Als planhorizon wordt in deze pkb het jaar 2010 gehanteerd. Om maatschappelijke ontwikkelingen en het beleid zoals uiteengezet in deze pkb goed op elkaar te laten aansluiten, zal het kabinet binnen de planperiode van vijf jaar een voortgangsrapportage uitbrengen. Op basis van een evaluatie van het gevoerde beleid, in ieder geval voor het eind van de planperiode, zal het kabinet aangeven of de pkb ongewijzigd blijft, geheel of gedeeltelijk herzien, danwel ingetrokken wordt. Bij de gehele of gedeeltelijke herziening zal het kabinet aangeven welke onderdelen van het gevoerde beleid bijstelling behoeven en in welke richting.
  • Deze pkb is onderwerp geweest van inspraak, advisering, bestuurlijk overleg en behandeling door de Tweede en Eerste Kamer.

1.3 Plangrensoverschrijdende betekenis van de pkb

  • Gezien de nauwe relatie die er bestaat tussen de Waddenzee enerzijds en de Waddeneilanden, de vastelandskust, de Noordzeekustzone en de grote rivieren anderzijds, heeft het regeringsbeleid ten aanzien van de Waddenzee ook betrekking op ontwikkelingen die, hoewel zij plaatsvinden buiten het pkb-gebied, van directe betekenis zijn voor de Waddenzee zelf. Richtinggevend hierbij is dat de mate waarin met het Waddenzeebeleid rekening dient te worden gehouden, wordt bepaald door de mate waarin activiteiten een negatieve invloed uitoefenen op de waarden van de Waddenzee.
  • Gezien de mogelijke effecten op de Waddenzee worden in hoofdstuk 3 van deze pkb plangrensoverschrijdende beleidsuitspraken gedaan, die bepalend kunnen zijn voor de water- en luchtkwaliteit.
  • In een aantal in het Besluit m.e.r. en de provinciale m.e.r.- verordenin- gen van Friesland, Groningen en Noord-Holland concreet omschreven gevallen zullen de mogelijke negatieve gevolgen voor de Waddenzee, van activiteiten die zich buiten het pkb-gebied afspelen, inzichtelijk worden gemaakt in een milieu-effect-rapportage, te betrekken bij de nadere besluitvorming omtrent de toelaatbaarheid en/of inpasbaar- heid van de activiteit of inrichting.

II Uitgangspunten voor beleid

2.1 Hoofddoelstelling

  • De hoofddoelstelling ten aanzien van de Waddenzee is de duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied. Ter concretisering van deze hoofddoelstelling wordt een streefbeeld geformuleerd.
  • Meer in concreto worden de volgende beleidslijnen gevolgd. Het beleid is gericht op:
    - de duurzame bescherming en een zo natuurlijk mogelijke ontwikkeling van:
    - de waterbewegingen en de hiermee gepaard gaande geomorfologische en bodemkundige processen;
    - de kwaliteit van water, bodem en lucht;
    - de (bodem)fauna en de (bodem)flora onder meer omvattende:
        - de fourageer-, broed- en rustgebieden van vogels;
        - de werp-, rust- en zooggebieden van zeezoogdieren, met name zeehonden;
        - de kinderkamerfunctie voor Noordzeevis;
        - de flora en fauna van de buitendijkse gebieden (waaronder kwelders) en de daaraan grenzende duinen;
    - de landschappelijke kwaliteiten, met name de verscheidenheid en het specifieke karakter van het open landschap;
    - de belevingswaarde van natuur en landschap.
  • Binnen de randvoorwaarden van een duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied zijn menselijke activiteiten met een economische en/of recreatieve betekenis mogelijk.
  • De veiligheid van de bewoners van het Waddengebied wordt gewaarborgd door een goede verdediging tegen de zee.
  • De bereikbaarheid van de havens en eilanden wordt voor de huidige vaartuigen gewaarborgd.

2.2 Streefbeeld voor de Waddenzee

  • Met het oog op de verdere uitwerking van de in de hoofdoelstelling beoogde duurzame bescherming en ontwikkeling is een streefbeeld gedefinieerd. Het streefbeeld dient als hulpmiddel bij het realiseren van het beleid. In het streefbeeld wordt een voor 2010 na te streven situatie met menselijk medegebruik verwoord; menselijk medegebruik voorzover inpasbaar binnen en afgestemd op de gewenste ecologische ontwikkelingen.
  • Het streefbeeld is opgesteld met behulp van de voor de Waddenzee geformuleerde referentiesituatie. De referentiesituatie geeft een zo natuurlijk mogelijke Waddenzee weer, zoals deze zich in grote lijnen ontwikkelt zonder beïnvloeding door menselijke aktiviteiten, onder invloed van natuurlijke dynamische processen zoals slib- en zandhuishouding en waterbeweging. De referentiesituatie is het ijkpunt voor het streefbeeld.
  • Voor de bewaking en realisering van de natuurlijke processen zullen meetbare indicatoren en/of organismen worden bepaald. Het streefbeeld zal op grond van nieuwe wetenschappelijke informatie en de resultaten van monitoring binnen de planperiode worden geëvalueerd en uitgewerkt. Een eerste schets van een streefbeeld is opgenomen in bijlage 1 bij deze pkb.
    In internationaal kader wordt verder gewerkt aan de ontwikkeling van een referentiesituatie. Er wordt naar gestreefd de te ontwikkelen streefbeelden in internationaal kader zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. 

2.3 Afwegingskader

  • Het afwegingskader omvat de volgende onderdelen: Ten aanzien van de wijze van besluitvorming geldt dat bij de afweging gebruik dient te worden gemaakt van de best beschikbare informatie omtrent de te verwachten gevolgen van een activiteit op de diverse beleidsterreinen, met name de gevolgen voor het natuurlijk milieu van de Waddenzee. Er dient rekening gehouden te worden met het cumulatief effect van activiteiten. Ten aanzien van de richting van de besluitvorming geldt dat bij de afweging de maatschappelijke noodzaak dient te worden aangetoond, dat activiteiten in de Waddenzee moeten plaatsvinden. Dit omvat twee aspecten: - het maatschappelijk belang dat een activiteit vertegenwoordigt en - de lokatiegebondenheid van een activiteit. Activiteiten die evengoed of beter buiten de Waddenzee kunnen worden uitgevoerd, worden vermeden (het translocatiebeginsel). Naarmate het maatschappelijk belang groter is, zal er eerder aanleiding zijn aan een daaraan inherente beïnvloeding van de natuurlijke waarden, binnen randvoorwaarden, toe te staan. Wanneer op basis van de best beschikbare informatie bij de afweging sprake blijkt te zijn van duidelijke twijfel over het achterwege blijven van mogelijk belangrijk negatieve gevolgen voor het ecosysteem, dan zal het voordeel van de twijfel in de richting van het behoud van de Waddenzee gaan (het voorzorgprincipe), hetgeen betekent dat de hoofddoelstelling bepalend is.
  • Wanneer activiteiten op basis van bovenstaande afwegingscriteria toelaatbaar worden geacht in de Waddenzee is het volgende van toepassing: Bij het gebruik van de Waddenzee worden tenminste de best uitvoerbare technieken toegepast ter voorkoming en/of beperking van negatieve milieu-effecten. Als middel tot het verminderen of voorkomen van negatieve milieu-effecten wordt bij een aantal activiteiten zonering toegepast. In de afweging om tijdelijke of blijvende aantastingen van de natuurwaarden van de Waddenzee te aanvaarden, dient uitdrukkelijk betrokken te worden of schade kan worden gecompenseerd passend binnen de hoofddoelstelling (compensatiebeginsel).

III Het beleid ten aanzien van functies

3.1 Natuurontwikkeling en Natuurbeheer

  • Duurzame bescherming en ontwikkeling van de Waddenzee als natuurgebied maakt het selectief en zorgvuldig ingrijpen in het ecosysteem ten gunste van natuurontwikkeling mogelijk.
  • Het natuurbeheer in de Waddenzee is gericht op een natuurlijke ontwikkeling van de Waddenzee, waarbij de menselijke invloed hierop zo gering mogelijk dient te zijn. Dit laat onverlet dat het kwelderareaal wordt gehandhaafd en in het gebied ten westen van Holwerd een uitbreiding van het vastelandkwelderareaal wordt nagestreefd. Deze uitbreiding heeft op zo natuurlijk mogelijke wijze plaats, voorzover mogelijk door ontpoldering. De min of meer gesloten stuifdijken op de eilanden worden met het oog op het behoud van het kwelderareaal in stand gehouden.
  • Op de Waddeneilanden zal het behoud van kwelders zo veel mogelijk worden gewaarborgd. Om een zo natuurlijk mogelijke overgang naar meer dynamische gebieden te verkrijgen, zal het stuifdijkonderhoud in de overgangsgebieden extensief zijn.
  • Kwelderwerken langs de Fries-Groningse vastelandskust, met het doel het areaal kwelders te behouden, worden op zo natuurlijk mogelijke wijze voortgezet.

3.2 Waterbeheer

3.2.1 Waterkwaliteit

  • De belasting van de Waddenzee met verontreinigingen en nutriënten zal worden teruggebracht;
  • overeenkomstig het landelijke waterkwaliteits- en Noordzeebeleid, met speciale aandacht voor diffuse verontreiniging;
  • door nieuwe lozingen van ongezuiverd afvalwater op de Waddenzee niet toe te staan, evenmin als nieuwe lozingen van ongezuiverd afvalwater in de met de Waddenzee in open verbinding staande havens;
  • door voor water en waterbodems in de Waddenzee in de planperiode kwaliteitsnormen vast te stellen;
  • door lozingen van persistente stoffen waarvan op basis van ecotoxicologische onderzoek verwacht kan worden dat zij negatieve ecologische effecten kunnen hebben niet toe te staan;
  • door tussen 1985 en 1995 een reductie van tenminste 50% te bereiken inzake de input van PAK's en organotinverbindingen, wanneer de best bestaande technieken dit mogelijk maken.

3.2.2 Waterkwantiteit

  • Het spuiregiem van de afwateringssluizen op de Waddenzee zal, voor zover mogelijk, worden afgestemd op de (doorgaande) vistrek.
  • Zoet/zout gradiënten dienen zo natuurlijk mogelijk te verlopen.

3.3 Veiligheid en Kustbeheer

  • Ten behoeve van een goede bescherming tegen de zee worden verhogingen van de primaire waterkeringen (duinen en/of dijken) op het vasteland en de bewoonde delen van de Waddeneilanden afgerond en in stand gehouden. Voor verhoging c.q. verbreding van de Waddendijk in verband met het op deltahoogte brengen blijft zeewaartse uitbreiding tot de mogelijkheden behoren binnen de hoofddoelstelling en het afwegingskader.
  • Het kustbeheer in het Waddengebied wordt zorgvuldig afgestemd op de natuurwaarden en natuurlijke processen.
  • Een beweeglijke kustlijn aan de meeste uiteinden van de Waddeneilanden is mogelijk, echter alleen wanneer de stabiliteit van de bewoonde delen van de eilanden blijft gewaarborgd. 

3.4 Menselijke activiteiten

3.4.1 Inpolderingen

  • Het kabinet zal niet meewerken aan concessieverlening voor inpoldering van delen van de Waddenzee.
  • Voor kleine Waddenzeewaartse aanpassingen aan waterkeringen, havendammen, veerdammen en dergelijke zal alleen toestemming worden verleend na afweging van alle belangen, waarbij het afwegingskader wordt gehanteerd.

3.4.2 Verkeer en Vervoer scheepvaart

  • De waterstaatswerken ten behoeve van het scheepvaartverkeer over de Waddenzee worden zoveel mogelijk beperkt, en indien strikt noodzakelijk, zodanig uitgevoerd dat de omschreven uitgangspunten van beleid voor de Waddenzee worden ontzien en dat deze werken passen binnen de natuurlijke ontwikkelingen.
  • De scheepvaart dient zoveel mogelijk gebruik te maken van de betonde en/of bebakende vaarroutes. Het gaat hierbij om de vaarroutes van zee naar de aan de Waddenzee gelegen havens v.v., de veerbootroutes van en naar de Waddeneilanden en de oost-west verbindingen over de wantijen. De invoering van een meld- en volgsysteem voor de Waddenzee en de instelling van Vessel Traffic Service (VTS) gebieden zal binnen de planperiode worden afgerond.
  • Draagvleugelboten en luchtkussenvoertuigen zijn in de Waddenzee verboden. Voor delen van de Waddenzee die vanwege hun landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden moeten worden ontzien, kunnen voor de scheepvaart zonodig vaarbeperkingen met betrekking tot doorvaarttijd worden ingesteld. Voor de betonde en/of bebakende vaarroutes kunnen, afhankelijk van hun karakter, verschillende snelheidsregimes van kracht worden.
  • Het kabinet draagt er zorg voor dat calamiteuze olielozingen in samenwerkingsverband door goed toegeruste eenheden worden bestreden.

Luchtvaart

  • De luchtvaartactiviteiten van de kleine luchtvaart worden boven de Waddenzee geconcentreerd in corridors met minimale vlieghoogten. Voor deze luchtvaartactiviteiten wordt buiten de corridors boven de Waddenzee de minimum toegestane vlieghoogte 450 m.
  • Voor Ultra Lichte Vliegtuigen (ULV's) worden vliegverboden aangehouden boven, en binnen een afstand van 1500 m van het stiltegebied van de Waddenzee, met uitzondering van vluchten voor wetenschappelijk onderzoek of voor handhavingdoeleinden. Binnen de uitzonderingsgebieden van het stiltegebied wordt het vliegen met ULV's zoveel mogelijk vermeden.
  • De minimum vlieghoogte voor helikopters boven het stiltegebied van de Waddenzee buiten de corridors wordt 450 m.
    Er worden in de Waddenzee en het overige Waddengebied geen nieuwe luchtvaartterreinen aangelegd. Uitbreiding van bestaande vliegvelden in het Waddengebied zal alleen plaatsvinden in verband met de vliegveiligheid. Binnen de planperiode worden geluidzones rond bestaande luchtvaartterreinen ingesteld.
  • Reclamevluchten boven de Waddenzee worden in principe niet toegestaan.

Overig verkeer en vervoer

  • Het parkeren van booreilanden en andere offshore-installaties dient buiten de Waddenzee plaats te vinden, tenzij er veiligheidsoverwegingen in het geding zijn.Uiterlijk voor de duur van de planperiode kunnen, in afwachting van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden in de haven van Den Helder, maximaal twee booreilanden of andere offshore-installaties worden geparkeerd voor maximaal drie maanden per jaar in het zeegebied tussen Texel en Den Helder. Alleen in noodgevallen, die nader in bestemmingsplannen en/of de vergunningverlening zullen moeten worden vastgelegd, kan tijdelijk sprake zijn van drie booreilanden en kan een eenmalige verlenging van de termijn worden toegestaan met ten hoogste drie maanden. Onderzoek naar mogelijke alternatieven om booreilanden buiten het pkb-gebied te parkeren (in de haven van Den Helder of op de Noordzee) dient in de planperiode afgerond te zijn.
  • Aanleg van dunne distributieve (nuts) leidingen in de Waddenzee wordt tot een minimum beperkt. Bij de aanleg van deze leidingen van en naar de Waddeneilanden wordt aangesloten bij bestaande leidingzones.

3.4.3 Haven- en industriegebieden

  • Er worden geen nieuwe haven- en industriegebieden aangelegd in of grenzend aan de Waddenzee.
  • Uitbreiding van bestaande haven- en industriegebieden is alleen toegestaan indien zij landinwaarts plaatsvindt. Kleine zeewaartse aanpassingen van waterkeringen, havendammen of veerdammen worden op basis van het afwegingskader van geval tot geval beoordeeld (zie 3.4.1 sub b).
  • De ontwikkelingsmogelijkheden op de bedrijfsterreinen in Den Helder, Harlingen, Delfzijl en Eemshaven kunnen onder de volgende voorwaarden benut worden: er dient te worden voldaan aan de landelijke milieuhygiënische normen en risicodragende bedrijven en/of stoffen worden toegestaan mits aangetoond wordt dat ingeval van calamiteiten er geen onherstelbare schade kan worden toegebracht aan de Waddenzee.
  • Het beleid is gericht op het voorkomen van calamiteiten. Door middel van preventieve maatregelen wordt de kans dat verontreinigende stoffen in de Waddenzee en de daarmee in open verbinding staande havens terechtkomen, tot een minimum beperkt.
  • In wettelijk aangewezen havens binnen het Waddengebied dienen voldoende en adequate voorzieningen aanwezig te zijn voor de afgifte van scheepsafvalstoffen.

Baggerspecie

  • Een nieuw systeem voor de beoordeling van de verspreidingsmogelijkheden van baggerspecie in de Waddenzee zal in 1993 verschijnen.
  • Alleen baggerspecie afkomstig uit de Waddenzee en de daarmee in open verbinding staande havens komt voor eventuele storting in de Waddenzee in aanmerking.
  • Voor verontreinigde baggerspecie uit de Waddenzee en de daarmee in open verbinding staande wateren en havens, die volgens het beoordelingssysteem niet in de Waddenzee kan worden verspreid, zal in principe buiten de Waddenzee een (bergings-)oplossing gevonden moeten worden.

3.4.4 Energie

Opsporing en winning van diepe delfstoffen

  • Om mogelijke cumulatie van negatieve gevolgen voor de Waddenzee door mijnbouwactiviteiten te voorkomen, zullen aanvragen om een boorvergunning voor de Waddenzee niet worden ingewilligd. Het gehele, niet in concessie uitgegeven deel van de Waddenzee wordt daarmee van boorwerken ten behoeve van de opsporing en winning van diepe delfstoffen gevrijwaard. De toelaatbaarheid van seismisch onderzoek buiten de in concessie uitgegeven gebieden zal worden afgewogen nadat terzake eenmalig een vrijwillige milieu-effect-rapportage is opgesteld.
  • Voor die delen van het PKB-gebied die onderdeel uitmaken van de in concessie gegeven gebieden Groningen, Noord-Friesland, Zuidwal en Leeuwarden, is met de concessionarissen het volgende overeengekomen:
    • In het PKB-gebied worden geen nieuwe exploitatie-installaties toe gestaan. Er vindt dus geen winning van gas plaats met behulp van produktie-installaties in het PKB-gebied zelf, behalve vanaf het bestaande produktieplatform in de concessie Zuidwal.
    • Het is toegestaan exploratieboringen te verrichten binnen de in concessie uitgegeven delen van het PKB-gebied, als de mijnbouwmaatschappijen kunnen aantonen dat redelijkerwijs aannemelijk is dat eventuele gasvoorkomens van buiten het PKB-Waddenzeegebied geëxploiteerd kunnen worden, dan wel van het reeds bestaande produktieplatform in de concessie Zuidwal. Een en ander zal ten genoegen van het Staatstoezicht op de Mijnen aannemelijk moeten worden gemaakt. Indien duidelijk is dat gedevieerd kan worden geëxploiteerd, zal die exploitatie, voorzover voortvloeiend uit de thans voorgenomen exploratieboringen, ook na 1999 gedevieerd van buiten het PKB-gebied dienen plaats te vinden.
    • Vanuit de thans krachtens artikel 17 van de Natuurbeschermingswet permanent gesloten gebieden is exploratie niet toegestaan. Het rijk is niet voornemens om binnen de PKB-planperiode van vijf jaar grenzen van gesloten gebieden te wijzigen, dan wet nieuwe gesloten gebieden aan te wijzen, waarbij een of meer van de nu voorgenomen exptoratielokaties in een gesloten gebied zouden komen te liggen.
    • Door mijnbouwmaatschappijen en rijksoverheid wordt begin 1994 een Plan van Aanpak opgesteld, waarin nadere afspraken zullen worden vastgelegd over fasering in ruimte en tijd, monitoring, begeleidend onderzoek, te nemen mitigerende en fysieke en waar nodig financiële compenserende maatregelen, alsmede over de te volgen wettelijke procedures. Het Plan van Aanpak vormt de basis voor de op te stellen MER(en).
    • De mijnbouwmaatschappijen houden zich bij de uitvoering van activiteiten in het Waddengebied aan de mitigerende maatregelen en compensatie in verband met zandsuppletie en kwelder- en dijkversterkingswerken, zoals deze in het Stuurgroeprapport "Mijnbouwactiviteiten in de Waddenzee" zijn weergegeven. In het Plan van Aanpak zullen eveneens aan de orde komen afspraken over compensatie. Voorkomen moet worden dat netto verliezen aan natuurwaarden ontstaan. Deze middelen zullen worden ingezet om primair in het Waddengebied nieuwe natuurwaarden te creëren; hierbij wordt gedacht aan projecten als uitbreiding kwelderareaal en herstel van de ecologische relaties ten behoeve van zoet-zout gradiënten.
    • Deze overeenstemming, die wordt aangegaan voor de duur van vijf jaar, laat overigens de bestaande rechten van de mijnbouwmaatschappijen onverlet; de overeenstemming heeft als doel de condities waaronder exploratie en exploitatie kunnen plaatsvinden, nader te omschrijven.
    • De overeenstemming is in de PKB-Waddenzee verankerd. Met het oog op de nog te volgen wettelijke procedures wordt op deze wijze aan betrokkenen vooraf zoveel mogelijk duidelijkheid gegeven over de toepassing door de rijksoverheid van het afwegingskader van de PKB-Waddenzee. Een en ander zal bij de herziening van de PKB-Waddenzee over vijf jaar (1999) worden geëvalueerd.
  • Aanvragen tot het uitvoeren van seismisch onderzoek zullen zorgvul dig afgewogen dienen te worden. Seismisch onderzoek in de Waddenzee vindt plaats op basis van de best bestaande methoden, gericht op het tot een minimum beperken van verstoring van vissen, vogels en zeehonden door de keuze van de onderzoeksmethode en -periode.
  • Er worden geen afvalstoffen, waaronder boorspoeling, in de Waddenzee geloosd.

Aanlanding

  • Er worden geen nieuwe vergunningen voor de aanleg van buisleidingen voor aanlanding van gas en olie door de Waddenzee verleend, tenzij dit vanwege (inter-)nationale belangen onvermijdelijk is. Het tracé en de wijze van uitvoering dienen dan zodanig gekozen te worden dat het effect van de ingreep voor het Waddenecosysteem zo gering mogelijk is.

Windenergie

  • In de Waddenzee wordt toepassing van windenergie niet toegestaan.
  • Binnen een strook tot l a 2 km vanaf de pkb-grens is opwekking van windenergie toegestaan, tenzij vogelwaarden zich daartegen verzetten. Hierbij wordt bij voorkeur aangesloten bij bestaande, het landschapsbeeld bepalende verticale elementen.
  • Opwekking van windenergie langs de Afsluitdijk is mogelijk wanneer ornithologische, waterstaatkundige en verkeersbelangen zich daartegen niet verzetten.

Hoogspanningsverbindingen

  • Met de aanleg van ondergrondse hoogspanningsverbindingen in de Waddenzee dient terughoudendheid te worden betracht. Wanneer aanleg uit (inter)nationale overwegingen noodzakelijk is, dient bij de aanleg bet afwegingskader gerespecteerd te worden en dienen het tracé en de wijze van uitvoering zodanig gekozen te worden dat het effect van de ingreep voor het Waddenecosysteem zo gering mogelijk is.

3.4.5 Ontgrondingen

  • Het huidige terughoudende beleid ten aanzien van de zandwinning wordt voortgezet.
  • Onderzoek wordt gestart naar de haalbaarheid van vervangende mogelijkheden voor zandwinning in de Waddenzee. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt besloten of de zandwinning in de Waddenzee beperkt kan worden tot het noodzakelijk waterstaatkundig onderhoud.
  • Voor kustsuppleties zal geen zand meer worden gewonnen in de Waddenzee en in de zeegaten tussen de Waddeneilanden.
  • Het huidige terughoudende beleid ten aanzien van de schelpenwinning wordt voortgezet.

3.4.6 Recreatie

  • Het beleid ten aanzien van de recreatie op de Waddenzee blijft gericht op stabilisering van de omvang. Voor vormen van recreatie die specifiek zijn gebonden aan de beleving van de Waddenzee wordt gestreefd naar een regulering in overeenstemming met de hoofddoelstelling.
  • Het aantal jachthavens in of direct grenzend aan de Waddenzee wordt niet uitgebreid. De huidige vaardruknormering blijft gehandhaafd. In de westelijke Waddenzee en in het Eemsgebied wordt een beperkte capaciteitsvergroting binnen bestaande havens, in het bijzonder passantenligplaatsen, mogelijk geacht. De provincies wordt gevraagd het capaciteitsbeleid nader uit te werken.
  • Door middel van beheersbeleid en zonering zal voor inpassing van de recreatie in de natuurfunctie worden zorggedragen. Een kaart met een globaal afgewogen recreatieve zonering is bij deze pkb gevoegd (kaart 2). De provincies wordt gevraagd deze zonering nader uit te werken. Er zal door de gezamenlijke overheden een beleid gevoerd dienen te worden dat gericht is op een adequate handhaving van de ingestelde zonering en het gevoerde beheersbeleid.
  • De ontwikkelingen op het terrein van de waterrecreatie zullen door middel van monitoring worden gevolgd. Indien nodig zullen maatregelen worden getroffen, danwel het beheer worden aangepast. De Rijksoverheid laat onderzoek uitvoeren naar de effecten van aan water gebonden vormen van recreatie op de kustwateren. De resultaten van het onderzoek zullen betrokken worden bij het nader vormgeven van het beheers- en capaciteitsbeleid voor de Waddenzee.
  • Door middel van adequate voorlichting aan recreanten op de Waddenzee wordt het voorgenomen beheerbeleid uitgedragen.
  • Voor de gehele Waddenzee geldt voor snelle motorboten een maximum vaarsnelheid van 20 kilometer per uur. Alleen in bepaalde betonde en/of bebakende vaarroutes bestaat de mogelijkheid om sneller te varen, met het verbod om te waterskien. Buiten de betonde en/of bebakende vaarroutes zullen geen gebieden voor sneller varen of voor waterskien worden aangewezen. De aanwijzing van twee kleine gebieden bij Oudeschild en Den Helder zal worden geëvalueerd in het licht van de hoofddoelstelling.

3.4.7 Visserij

  • De ligging van de schelpdierpercelen in de westelijke Waddenzee zal worden geoptimaliseerd, waarbij het fatale areaal aan stabiele mosselpercelen met ten minste 200 ha. wordt uitgebreid. Middels verschuiving en verplaatsing van percelen zal binnen het areaal dat is uitgegeven voor de mosselcultuur getracht worden deze uitbreiding te realiseren. Mocht dit niet middels optimalisatie mogelijk blijken dan zal na afronding van de optimalisatie, uiterlijk in 1995 worden bezien of tenminste 200 ha. extra beschikbaar zal worden gesteld.
  • Het aantal vergunningen voor handmatige en mechanische visserij op kokkels zal niet worden uitgebreid ten opzichte van voorgaande jaren.
  • Voor zowel de kokkel- als mosselzaadvisserij wordt door technische- en beheersmaatregelen gestreefd naar een vermindering van effecten op ecologische waarden van de Waddenzee. In 1993 wordt ruim een kwart van de droogvallende platen in de Waddenzee gesloten voor de mosselzaad- en de kokkelvisserij (zowel mechanisch als handmatig) alsook voor de visserij met bodemvistuigen met wekkerkettingen. In jaren waarin voedselproblemen voor de vogelpopulatie kunnen worden verwacht zullen aanvullende maatregelen worden getroffen ter beperking van de visserij op schelpdieren. In 1998 zal, op basis van een in 1997 uit te voeren evaluatie worden besloten, met inachtneming van de beleidsuitgangspunten van de Waddenzeeconferentie in Esbjerg en met inachtneming van de hoofddoelstelling voor de Waddenzee, tot welke aanvullende sluiting van gebieden voor de mosselzaad- en/of kokkelvisserij, alsook voor de visserij met bodemvistuigen met wekkerkettingen wordt overgegaan. Op kaart 3 visserij is de globaal afgewogen zonering opgenomen.
  • Het aantal vergunningen voor de garnalenvisserij wordt niet uitgebreid ten opzichte van voorgaande jaren. De effecten van de garnalenvisserij op het Waddenecosysteem zullen worden onderzocht door tijdelijk een bepaalde lokatie als onderzoeksgebied te bestemmen.
  • De regulering van de visserij met vaste vistuigen en van de sleepnetvisserij in de Waddenzee zal nader worden uitgewerkt.
  • Er zal naar worden gestreefd de evaluatie van het kustvisserijbeleid tijdig af te ronden om de resultaten te kunnen betrekken bij de eventuele herziening van de pkb-Waddenzee en een eventuele bijstelling van het beleid in 1998 mogelijk te maken.

3.4.8 Militaire activiteiten

  • Het beleid blijft gericht op vermindering van militaire activiteiten in de Waddenzee. Uitbreiding in de zin van intensivering van het militaire gebruik of extra ruimtebeslag van bestaande militaire activiteiten in de Waddenzee is in beginsel niet toegestaan. Intensivering van bestaand militair gebruik kan aanvaardbaar zijn in geval van concentratie van in de Waddenzee plaatsvindende gelijksoortige militaire activititeiten, mits de totale milieubelasting na concentratie afneemt. Het kabinet streeft ernaar bet gebruik van de Noordvaarder zo spoedig mogelijk te beëindigen, maar uiterlijk zal dit in 1995 plaatsvinden.
  • Het beleid ten aanzien van militaire activiteiten in de Waddenzee is verder gericht op het voorkomen van geluidsoverlast, schade en verontreiniging van bodem, water en lucht. Het kabinet streeft ernaar de milieubelasting als gevolg van militaire activiteiten in tien jaar met een kwart te verminderen ten opzichte van 1989.
  • Bij de inrichting en het gebruik van oefenterreinen en schietranges/- gebieden zal verstoring van (avi)fauna, de vegetatie, de bodemstructuur en de waterhuishouding zoveel mogelijk worden voorkomen. Bij de besluitvorming over de inrichting zal rekening worden gehouden met de doelstelling en beleidslijnen van het regeringsbeleid voor de Waddenzee.
    c1. Gestreefd wordt naar beperking van de geluidhinder en de verstoring door zogenaamde afzwaaiers van de schietbaan in de Marnewaard. Resultaten van lopend en nieuw onderzoek zullen worden gebruikt bij het nemen van beslissingen over te nemen maatregelen.
  • Ten aanzien van militaire laagvliegroutes geldt het volgende beleid:
    d1. Het streven is gericht op het beperken en zo mogelijk opheffen van militaire laagvliegroutes boven de Waddenzee. In NAVO- verband zal bezien worden waar het noodzakelijk geachte laagvliegen kan plaatsvinden. Het kabinet zal het belang van de Waddenzee hierbij een belangrijke rol laten spelen. In afwachting van deze NAVO-studie zal het laagvliegen boven de Waddenzee worden opgeschort.
    d2. Tijdelijke laagvliegroutes bij internationale oefeningen worden niet meer over de Waddenzee gelegd.

3.4.9 Onderzoek en monitoring

  • Het beheer van de Waddenzee wordt ondersteund door het monitoren van en het doen van nader onderzoek naar de fysische, chemische, biologische en gebruikskenmerken. Voor de Waddenzee zal het monitoringsysteem verder worden afgestemd op het bereiken van de doelstellingen in beleid en beheer.
  • Over de resultaten van monitoring zal periodiek worden gerapporteerd.
  • In overleg met Denemarken en Duitsland wordt gestreefd naar een gezamenlijk monitoringprogramma en een daarmee samenhangend programma van onderzoek van belang voor de gezamenlijke bescherming van de internationale Waddenzee. 

IV Bestuur en Beheer

4.1 Coördinatie en inspraak

  • Het kabinet acht een goede horizontale en vertikale afstemming van beleid essentieel voor het welslagen van het Waddenzeebeleid. Kern van de overlegstruktuur voor het Waddengebied vormen de volgende organen: - de Interdepartementale Waddenzeecommissie, ten behoeve van de horizontale coördinatie tussen de bij de Waddenzee betrokken departementen; - het Coördinatiecollege Waddengebied voor de vertikale coördinatie tussen rijk, provincies en gemeenten. Aanvullend functioneert er een regionaal Coördinatiecollege.
  • Het kabinet streeft naar een zo eenvoudig en duidelijk mogelijke over-legstruktuur voor het Waddengebied. Voor nadere besluitvorming over mogelijke aanpassing van de overlegstruktuur wordt een in 1993 uit te voeren evaluatie afgewacht.
  • Er is een Waddenadviesraad ten behoeve van advisering over Waddenzee aangelegenheden.

4.2 Juridisch instrumentarium

  • Het kabinet zal, daar waar dat doelmatig en doeltreffend is, bevoegdheden met betrekking tot de uitvoering van beleid en beheer voor de Waddenzee overdragen aan de lagere overheden door decentralisatie van instrumenten.
  • Uitgangspunt voor het kabinet is de optimale inzet van het beschikbare instrumentarium teneinde de doelstellingen van het beleid voor de Waddenzee te bereiken.
  • Het toepassingsbereik van de Natuurbeschermingswet wordt voor de Waddenzee uitgebreid. Het vergunningen- en ontheffingenbeleid op grand van de Natuurbeschermingswet zal worden gekoppeld aan het beleid zoals neergelegd in de pkb-Waddenzee.
  • Voor het Waddengebied zal een aangescherpte m.e.r.-plicht gelden op basis van de provinciale verordeningen van de provincies Noord-Holland, Friesland en Groningen. De bijzondere waarde van het Waddengebied rechtvaardigt het hanteren van lagere drempels en het aanwijzen van meer activiteiten voor de m.e.r.-plicht in vergelijking met de rest van Nederland.
  • In overleg met de andere Waddenoverheden zal worden bezien of het totale stelsel van regelgeving van rijk, provincie en gemeenten voor wat betreft de doorwerking van het Waddenzeebeleid efficiënt en effectief functioneert.

4.3 Uitvoering en beheer

  • Het kabinet zal de planstructuur voor het Waddengebied vereenvoudigen door het zoveel mogelijk bundelen van beheersplannen en het opstellen van een maatregelenprogramma. Een en ander wordt in overleg met de andere overheden nader uitgewerkt.
  • De financiële gevolgen van het in deze pkb gepresenteerde beleid worden zichtbaar gemaakt in de betreffende sectornota's en in nadere uitwerkingen van deze pkb.
  • De inspanning van de inspecties in de Waddenzee om door middel van een gecoördineerde aanpak zorg te dragen voor een doelmatige handhaving van de regelgeving zal worden voortgezet. Bezien zal worden hoe de andere overheden betrokken kunnen worden bij de bestaande samenwerking op het gebied van inspectie en beheer.

V Beleid op internationaal niveau

  • De samenwerking met de regeringen van Duitsland, de betrokken Duitse deelstaten en Denemarken zal worden voortgezet en geïntensiveerd. Een gemeenschappelijk beleid met betrekking tot de invulling van het natuurbeleid en het menselijk gebruik van dit internationale natuurgebied zal met kracht worden vormgegeven.
  • De samenwerking met de betrokken Duitse overheden, betreffende een harmonisatie van het natuurbeleid, het waterkwaliteitsbeleid en het milieubeleid voor het Eems-Dollard estuarium zal worden geïntensiveerd.
  • De relatie die met betrekking tot de waterkwaliteit is gelegd tussen het Waddenzeebeleid, het Noordzeebeleid (zoals neergelegd in de Noord- zeeconferenties) en het Rijnbeleid zal worden voortgezet en waar mogelijk versterkt.
  • Verdere internationale samenwerking binnen de kaders van de Europesche Gemeenschap, de Ramsar Conventie, de Conventies van Bonn en Bern en de World Heritage Convention zal worden voortgezet. Dit geldt eveneens voor verdragen en conventies op het gebied van waterkwaliteit, milieu, veiligheid en klimaat.

VI Voorlichting en educatie

  • De overheidsvoorlichting in het Waddengebied is primair gericht op verbreding van het maatschappelijk draagvlak voor het vastgestelde beleid en op verduidelijking ervan.
  • De specifieke voorlichting en educatie over het Waddengebied zal primair worden afgestemd op de doelgroepen (bewoners, recreanten en overige gebruikers) teneinde de hoofddoelstelling van deze pkb te verwezenlijken.
  • De inzet van het rijk ten aanzien van voorlichting zal worden gecontinueerd. Met betrekking tot educatie is de opstelling van het rijk meer voorwaardenscheppend.