concept-convenant werelderfgoed

Concept (1 februari  2005)

Convenant Werelderfgoed.

Overwegingen

- dat algemeen en in overeenstemming wordt vastgesteld dat een nominatie van de Waddenzee als Werelderfgoed positief te waarderen is en een (h)erkenning van de unieke Waddenzeeregio inhoudt,

- dat tijdens de trilaterale ministersconferentie in 2001 te Esbjerg is gesproken over de aanmelding van de Waddenzee als Werelderfgoed site voor wat betreft de natuurwaarden,

- dat een dergelijke aanmelding alleen haalbaar  is indien de waarden van het gebied op een adequate wijze zijn beschermd,

- dat, gelet op het beleid van rijk, provincies en gemeenten in Nederland, gesteld mag  worden dat met het huidige beschermingsniveau een aanmelding haalbaar is, 

- dat , zowel ten aanzien van de aanwijzing van de Waddenzee als Werelderfgoed site, als ook  ten aanzien van de Waddenzee in algemene zin, gesteld kan worden dat een duurzame en doelmatige bescherming van de Waddenzee alleen kan geschieden wanneer deze is ingebed in een economisch en maatschappelijk gezonde Waddenregio, waarbij het streven van de landen gericht blijft op handhaving en versterking van ecologische, economische, cultuurhistorische en sociale waarden en van de kustbescherming, om bewoners en gebruikers een plezierige toekomst te bieden.

1. Als grens wordt de begrenzing van de huidige  PKB Waddenzee aangehouden.

2. Er worden geen bufferzones ingesteld, er is geen externe werking.

3. Er zullen uit  een aanwijzing geen verdere juridische consequenties, regelgeving en beperkingen voortvloeien, anders dan die voortkomen uit het reguliere beleid te aanzien van de Waddenzee.

De aanwijzing  als Werelderfgoed site is een kwalitatieve erkenning en geen juridisch instrument. Het maakt in die zin dan ook geen deel uit van het beleid ter bescherming van de Waddenzee.

Dit leidt tot de constatering, dat indien door derden in bezwaren of beroepsprocedures de wereld erfgoed status als bezwaar of beroepsgrond wordt aangevoerd dit argument zal leiden tot ongegrond verklaring, indien daarbij tevens geen andere instrumenten ter bescherming van de Waddenzee worden aangehaald, dan wel in het geding zijn. (eventueel in preambule)

4. Ook bij  de uitleg door de Nederlandse overheid van Europese regelgeving en richtlijnen, zal de aanwijzing als wereld erfgoed geen invloed mogen hebben.

5. De mogelijk nog door Unesco gewenste aanpassingen tijdens en na de aanmelding moeten door de convenantpartners goedgekeurd worden.

6. Er wordt desgewenst een coördinatiegroep in het leven geroepen uit vertegenwoordigers van de convenantpartners. Deze groep zal het proces om te komen tot een aanwijzing tot wereld erfgoed begeleiden.

De trilaterale inbreng zal geschieden in goede afstemming met de convenantpartners, desgewenst via deze coördinatiegroep.

7. Dit convenant wordt  3 jaar na ondertekening geëvalueerd.

Toelichting.

Uit artikel 3 vloeit verder voort dat de gewenste ruimte voor reeds bestaande of nieuwe beleidsvoornemens altijd getoetst blijft worden aan vigerende wet- en regelgeving. Hierop heeft de nominatie als Werelderfgoed dus geen enkele invloed 

Nominatiedossier

Bij de aanmelding van de Waddenzee voor plaatsing op de Werelderfgoedlijst wordt een zogeheten nominatiedossier opgesteld, dat twee doeleinden dient. Ten eerste moet er een beschrijving gegeven worden van het erfgoed, zodat duidelijk wordt waarom deze op de Werelderfgoedlijst geplaatst kan worden. Ten tweede moeten hierin de kerngegevens worden opgenomen van het erfgoed waarmee het tevens mogelijk moet zijn om eventuele veranderingen van het erfgoed te volgen.

Belangrijke onderdelen van dit nominatiedossier zijn beschrijvingen van de menselijke activiteiten in het gebied, inclusief voorziene ontwikkelingen en een beschrijving van het beheer. Bij dit laatste moet expliciet aandacht worden geschonken aan de voorzieningen voor en het omgaan met bezoekers, die met name voor de natuurbeleving het gebied aandoen.

Geheel conform het gedachtegoed van de Werelderfgoed Conventie met betrekking tot de presentatie en ‘het doorgeven aan toekomstige generaties’ van het erfgoed, worden de landen uitgenodigd en aangespoord tot het geven van informatie over hoe zij het erfgoed willen presenteren, waarbij voorlichting en educatie belangrijke elementen zijn.

Dit nominatiedossier, waarbij dus naast de aandacht voor de ‘natuurlijke kenmerken’ van het erfgoed ook specifiek vastgelegd wordt welke economische activiteiten plaatsvinden of zullen gaan plaatsvinden, vormt de basis voor de toetsing ten aanzien van opname op de Werelderfgoedlijst.

Betrokken partijen (convenantpartners en overige belanghebbenden) zullen bij de opstelling van het nominatiedossier worden uitgenodigd.