Petitie OOW

De raadsleden van de vijf Waddeneilanden in Congres bijeen op 5 en 6 november 2004 op Terschelling.

 

De aanwezige raadsleden van de vijf Waddeneilanden ondersteunen de volgende petitie, welke op het Congres van 5 en 6 november is besproken.

 

De raadsleden van de Waddeneilanden hebben met belangstelling kennis genomen van het rapport van de Adviesgroep Waddenzeebeleid " Ruimte voor de Wadden".

 

Dit blijkt onder andere uit het feit dat ten aanzien van dit rapport in drie gemeenteraden moties zijn aangenomen en dat aan dit rapport op 29 september 2004 een symposium voor raadsleden van de eilanden is gewijd, waarin het rapport met de heer Meijer besproken is.De discussie over wel of geen gaswinning onder de Waddenzee kan losstaan van de wijze van invulling geven aan een te vormen Waddenfonds.

 

Deze zaken hebben geleid tot een drietal conclusies welke hieronder zijn weergegeven:

 

A. Het Waddenfonds

In het verleden is, blijkens het rapport, aan de bescherming van de Waddenzee vooral op een passieve wijze inhoud gegeven. Dit heeft geleid tot een grote hoeveelheid wet- en regelgeving die soms een verstikkende invloed heeft gehad op gangbare activiteiten. Deze benaderingswijze heeft bij de locale bevolking en bestuurders een negatieve invloed op het draagvlak gehad en in een aantal gevallen tot frustraties en verwijdering geleid. Ten aanzien van het gebied zelf kan gesteld worden dat dit door gebrek aan investering tot een situatie van "achterstallig onderhoud" heeft geleid. Deze conclusie wordt door de locale overheden herkend en onderschreven.

In het rapport wordt gekozen voor een meer actieve benadering gericht op de versterking en van de Waddennatuur en een duurzame ontwikkeling van het WaddengebiedEen positieve en actieve benadering van de problematiek kan leiden tot meer draagvlak voor het beleid ten aanzien van de Waddenzee.

Een belangrijk middel daartoe is het voortstel om via het Waddenfonds een bedrag aan Î 750 a 800 miljoen te investeren in het Waddengebied.

Gelet op de argumentatie in het rapport betreft het hier noodzakelijke investeringen die voor een belangrijk gedeelte het gevolg zijn van eerder genoemde "achterstallig onderhoud".

 

De benadering in het rapport van de adviesgroep wordt door de lokale overheden gezien als een kans om, mede met gebruikmaking van lokale inzichten, te komen tot een andere (lees: actievere) benadering van de problematiek van het Waddengebied en daarmee samenhangend tot een breder draagvlak.

 

In verband daarmee wordt het van belang geacht dat de in het rapport genoemde investering van Î 750 a 800 miljoen blijft gehandhaafd en niet om budgettaire redenen worden verlaagd. Desnoods kan hieraan door het Kabinet de voorwaarde verbonden worden dat er voldoende levensvatbare initiatieven ontwikkeld worden om de aan doelstellingen van het Rapport Meijer op een passende wijze invulling te geven. Wij hopen met onderstaande voorstellen daar voorbeelden van te geven.

 

Ten aanzien van de dekking van deze bedragen wordt opgemerkt dat de inmiddels gestegen prijs van een barrel ruwe olie, en daarmee de aardgas opbrengsten, van dien aard is dat handhaving van het in het rapport voorgestelde investeringsniveau niet tot budgettaire problemen hoeft te leiden.

 

B. Natuurbeheer

In de argumentatie met betrekking tot het herstel en versterking van de Waddennatuur wordt terug gegrepen op uitspraken van de commissie Staatsen uit 1976. Daarbij worden de "Waddenwaarden" onderscheiden in a. de natuurwetenschappelijke, b. de landschappelijke en c. de cultuurhistorische waarden. Het totaal van deze factoren geeft aan het gebied een uitzonderlijke waarde.

 

Vervolgens wordt in het rapport Meijer alleen aandacht geschonken aan het vergroten en versterken van de natuurwaarden van de Waddenzee. Er wordt gestreefd naar een grotere en robuustere Waddenzee. Daarbij wordt verder voorbij gegaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het Waddengebied.

Wij zien dat als een gemiste kans. Niet is alleen hier, in navolging van de commissie Staatsen, het totaal groter dan de som der delen, maar er kunnen ook meervoudige doelen gediend worden. In het rapport wordt ook aandacht besteed aan verduurzaming van bestaande regionale activiteiten zoals recreatie en toerisme en betere economische perspectieven. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan de kennis van natuur en sociaal economische ontwikkeling van de Waddenzee en -gebied.

Het instandhouden en beheren van landschapselementen in de regio dient velerlei belangen. Het agrarische natuurbeheer dient zeker de natuurwaarden in het waddengebied in bredere zin. De diverse landschappelijke en cultuurhistorische elementen - genoemd worden schapenboeten, eendenkooien en andere voor de Waddeneilanden karakteristieke elementen - zijn eveneens van groot belang. De visualisering van de landschappelijke cultuur historische waarden bevordert ook het bewust zijn (bij de bewoners) en de bewustwording (bij de bezoekers). Dit is van belang voor het draagvlak van het beleid en ook voor een duurzame economische instandhouding van de regio op het gebied van toerisme.

 

C. Duurzame energie

In het kader van de verduurzaming van regionale economische activiteiten wordt gesuggereerd de veerboten op aardgas te laten varen.

Aan een dergelijke oplossing kleeft een aantal technische problemen, zeker op het punt van veiligheid en bedrijfszekerheid. Naar onze mening zou ingezet moeten worden op het gebruik van pure plantaardige olie voor de veerboten en voor het openbaar vervoer op de eilanden.

Dit kan een innovatief project worden waarmee eveneens meervoudige belangen gediend worden en tevens een belangrijke voorbeeldfunctie van uit kan gaan. Naar aanleiding van het Kyoto Protocol ligt het project in lijn met de door de overheid in EU verband genomen vergroeningsmaatregelen, om in 2005/2006 2% hernieuwbare brandstof (biobrandstof) te gebruiken, oplopend naar 5,75% in 2010. Hiervoor is echter nog geen dekking gevonden. Voor de Waddenveren zou dekking vanuit het Waddenfonds gevonden kunnen worden.

 

Een aantal voordelen zijn:

  • Economische: met het laten varen van de veerboten op pure plantaardige olie is naar schatting een oppervlakte van 8.000 à 10.000 ha koolzaad gemoeid. Indien ook het openbaar vervoer op pure plantaardige olie gaat draaien wordt deze oppervlakte nog aanmerkelijk vergroot. Met een dergelijke productieve oppervlakte grond zou de landbouwproblematiek van het Noorden des Lands opgelost zijn en zou de "braakligregeling" misschien afgeschaft kunnen worden.
  • Energietechnisch: door de toepassing van plantaardige olie (biobrandstof) wordt Nederland minder afhankelijk van fossiele brandstoffen. Naast duurzaamheid op het punt van energie zijn hier ook economische en politieke aspecten aan de orde.
    Daarnaast wordt het product geproduceerd in de regio, dus de kosten van vervoer en de daarvoor benodigde energie en de milieubelasting zijn relatief laag.
  • Milieu: Uitgangspunt bij het gebruik van hernieuwbare brandstof is een Infra Ecologie, een natuurlijke balans, waarbij de emissies als kooldioxide (CO2) worden opgenomen in het groeiproces van de koolzaadvelden in de regio. Het middel is derhalve milieutechnisch gezien neutraal. Koolzaad kent geen afvalproducten, het residu is eiwitrijk en kan gebruikt worden voor de levensmiddelenindustrie of dienen als veevoer. De gevolgen bij calamiteiten zijn milieutechnisch niet te vergelijken met een soortgelijk ongeval met dieselolie. De plantaardige olie kan op eenvoudige wijze opgenomen worden in de waterkolom en afgebroken worden in het ecosysteem.
  • Veiligheid: zeker in verhouding tot de toepassing van aardgas scoort het gebruik van plantaardige olie hoog op het punt van veiligheid.
  • Voorbeeld functie: het onderzoek naar en de toepassing van plantaardige olie kan veel kennis opleveren voor toepassing elders. Het kan derhalve een pilotfunctie hebben. Hierbij wordt niet alleen op nationale schaal gedacht, maar bijvoorbeeld aan de landbouwproblematiek elders in Europa. Indien dit experiment kans van slagen heeft zijn er ook mogelijkheden om de veerverbindingen in de internationale Waddenregio op plantaardige olie te laten varen.

Het vervolg

Op 9 november 2004 wordt het rapport van de Adviesgroep Waddenzeebeleid in de Tweede Kamer besproken. Deze notitie is niet alleen bedoeld een bestuurlijk signaal af te geven vanuit de regio maar tevens om een constructieve bijdrage te leveren aan de discussie.

Bestuurlijk gezien is de boodschap dat het rapport een nieuwe tot een vernieuwde benadering van de problematiek van de Waddenzee kan leiden: een actieve opstelling, gericht op een duurzame ontwikkeling met als gevolg een beter draagvlak. De lokale overheden hebben deze boodschap begrepen en wensen deze uitdaging ook op te pakken.

Indien vorengenoemde voorstellen op nationaal niveau weerklank vinden, bestaat op gemeentelijke niveau de bereidheid om samen met andere betrokken overheden de voorstellen uit de nota de uit te werken en te concretiseren.

 

Toelichting:

De kern: "Ruimte voor de Wadden" is nodig! De 3 items zoals beschreven in deze petitie, geven (nadere) invulling aan hetgeen verwoord in het rapport van de commissie Meijer. De petitie, bij voorkeur breed gesteund, vraagt het Kabinet het advies van de commissie Meijer over te nemen en 'te gaan' voor 750-800 miljoen. Reden: er zijn meer dan voldoende projecten waaraan we de gelden (zeer) nuttig kunnen besteden.